maandag 30 maart 2020

Kinderen van Buchenwald II

(Vervolg)

Het is overigens de eerste dag dat het niet bloedheet is.
Door de kale grindvlakte waar ooit de barakken stonden waait een gure, vochtige wind, ik moet zelfs voor het eerst die tocht, een jasje aantrekken. Eigenlijk heb ik het meest tragische en aangrijpende van die dag dan al achter de rug.

Voordat ik het poortgebouw nader, loop ik op het vlakkere gedeelte van de heuvel langs een soort dijkje. Blijkt een talud voor een spoorrail geweest te zijn, waaraan door dwangarbeiders gewerkt is. Hier werd het gevangenen-transport effectief en efficiënt, zoals gebruikelijk, georganiseerd.



Er is hier een bijzonder monument opgericht, waarvan ik vooraf geen weet had. Langs het dijklichaam zijn natuurstenen neergelegd. Op het oog een wat ongeordende verzameling, maar als ik dichterbij kom blijken er namen op te staan. Namen van kinderen. Poolse pubers. Tsjechische peuters. Duitse scholieren. Kinderen die ooit een toekomst hadden. Omgebracht. Van het leven beroofd. Uitgehongerd. Aan hun lot overgelaten.

Bij het zien van hun namen op de stenen breekt er iets en de tranen druppelen traag van mijn wangen op mijn borst en op de grond. De ultieme tragische en niet te bevatten ondergang van medemenselijkheid.

De diepe ontroerende droefheid kan alleen verklankt worden door de meester van het gevoel, het gevoel van wat hier verloren, nee verwoest is, Jacques Brel, Fils de Caesar, Fils de rien..





Ernst van Altena vertaalde dit prachtige lied. Jenny Arean zong het

Kinderen van ......


Kinderen van meerderen 
Of van minderen 
Kinderen zijn altijd 
Zomaar kinderen 
Kinderen van ouders Arm of rijk 
Kinderen zijn Allemaal gelijk   
Eender beklag 
En eendere zuchten 
Eendere kluchten 
En eendere lach 
Kinderen van ouders  Arm of rijk
Kinderen zijn  Allemaal gelijk 

   
En pas daarna  Jaren daarna    

Kinderen zijn altijd  Altijd koning  
In goudpaleis  Of burgerwoning  
In villadorp of krottenwijk  
Heeft ieder kind z'n keizerrijk    
Een kiezelsteen  
Een vogelveertje  
Een teddybeertje  
Een winterpeen  
In villadorp of krottenwijk  
Heeft ieder kind z'n keizerrijk    

En pas daarna  Jaren daarna    

Kinderen van Fransen of Hongaren  
Kinderen zijn altijd tovenaren  
Kinderen, gewenst of ongewenst  
Ze zijn als dichters onbegrensd  
Ze zijn een volk van grijze wijzen  
Maken hun reizen per schapewolk  
Kinderen, gewenst of ongewenst  
Ze zijn als dichters onbegrensd    

En pas daarna  Jaren daarna    

Kinderen van meerderen  Of van minderen  
Kinderen zijn altijd zo maar kinderen  
Kinderen van ouders, arm of rijk  
Kinderen zijn allemaal gelijk  
Eender beklag en eendere zuchten  
Eendere kluchten en eendere lach  
Kinderen van ouders, arm of rijk  
Kinderen zijn allemaal gelijk

zaterdag 28 maart 2020

Kinderen van Buchenwald I


Ik lig in een ziekenhuisbed te wachten op onderzoeksresultaten. Naast mij is onverwachts buurman Daniel komen zitten. “Hoe haal je het nou in je hoofd om naar Buchenwald te gaan?” vraagt hij met oprechte verbijstering in zijn stem. 
De vraag overvalt me, maar ik heb er wel een antwoord op. Ik wilde het gewoon, daar komt het op neer.  

Tot mijn eigen verrassing lag het die maand augustus, lopend onderweg van Leipzig via Weimar naar Erfurt, vrijwel op de route. En dat rare contrast hoorde wel bij mijn tocht van dat moment. Van het hoogtepunt van Duitse beschaving en literatuur (Goethe woonde in Weimar) naar een van de dieptepunten in menselijk samenleven. Met een onderlinge afstand van niet meer dan een kilometer of acht te overbruggen.  


Bovendien had ik jaren eerder al eens het aangrijpende relaas gelezen van Jorge Semprun (in de burgeroorlog en zijn Franse ballingschap nog communist, en na Franco minister van cultuur in de democratische regering van Spanje) over zijn helletocht naar - en -verblijf in Buchenwald. Daardoor had ik een beeld van het soort kamp.  
Van dat beeld klopt niks als ik de heuvel op loop, die maandag in augustus 2013. Er staan veel loofbomen, maar dat zijn nauwelijks beuken. Het is een soort niemandsland, de helling naar het kamp. Er is weinig dat wijst op de horror en de gruwelen die daar bijna 80 jaar geleden hebben plaatsgevonden. Inderdaad, al voor de oorlog uitbrak sloten de nationaal-socialisten hier hun politieke gevangenen op. Ik beland in de cel van 1 van hen, dominee Paul Schneider, een oprecht en dapper predikant die zijn geloof niet laat kapen door de propagandisten van Goebbels en de Stuermer. Vanuit zijn cel kan ik door het kleine raam de appelplaats zien. Hij riep vanuit zijn eenzame opsluiting de verzamelde gevangenen bemoedigende woorden toe. 
De kampbeulen pikten dat niet en dachten hem met een pak slaag tot zwijgen te brengen. Maar Schneider ging door. Ik dacht altijd dat hij oorlogsslachtoffer was. Maar het was in “vredestijd” dat ze hem uiteindelijk de dood in joegen, 18 juli 1939, omdat hij weigerde te zwijgen. Dan ben je in mijn ogen wel een held hoor, al zullen anderen hem misschien onnozelheid verwijten. 



Met dit verhaal erbij wordt zo’n cel in het strafgedeelte (ja, gewoon opsluiten is niet genoeg daar, je kunt ook nog zwaar regime krijgen, dat gebeurt in het poortgebouw waar je het kamp binnenkomt) een nauwelijks te bevatten en meer dan indrukwekkende ervaring.